Wat is de Relatie tussen Humor en Coaching?

filosofie Jan 09, 2021

Onderzoekspaper

Naam: Middendorp, Frank

Aantal woorden: 5494

Lachend je eigen ondergang tegemoet

Kan Humor een instrument zijn voor zelfreflectie en transformatie van het bewustzijn?


 Abstract

In hoeverre kan humor een instrument zijn om mensen te helpen hun schroom te overwinnen voor zelfreflectie in het kader van mentale coaching? Verbale humor en mentale coaching lijken volgens gelijkvormige semantische principes te werken. Tegelijkertijd zijn er aantal significante verschillen waar mentale coaching misschien zijn voordeel mee kan doen. Het primaire doel van coaching is het doorbreken van impasses op het gebied van levensvragen. Het primaire doel van humor is amuseren. Mentale coaching problematiseert vanuit een eerste persoonsperspectief, humor ridiculiseert vanuit een derde persoonsperspectief. Zelfreflectie impliceert het zichtbaar worden van aspecten van de persoonlijkheid die we liever verborgen willen houden. Humor maakt aspecten van het universele menszijn zichtbaar die we met plezier onder ogen willen komen. Kan dit laatste aspect van humor geïntegreerd worden in mentale coaching zodanig dat de angst voor zelfreflectie kan worden verminderd? Zo ja, op welke manier en wat is dan de draagwijdte van deze mogelijkheid?

Keywords: Coaching, humor, zelfreflectie, zelfdeceptie, aporia, angst



1. Inleiding

Gevoel voor humor staat steevast in de bovenste regionen van lijstjes van meest gewaardeerde karaktereigenschappen überhaupt, zeker als het gaat om een keuze voor een partner of vrienden. Gevoel voor humor heeft een actieve en een passieve kant; het weten te veroorzaken van of het kunnen lachen om grappige opmerkingen of situaties. Met dat gevoel voor humor zit het bij mij wel goed.  In de regel lach ik minstens drie keer om dezelfde grap. Eén keer als hij verteld wordt, een tweede keer als hij mij uitgelegd wordt en een derde keer als ik hem begrijp. Wat maakt humor zo'n geliefde eigenschap? En is het mogelijk om een universeel aspect van humor te onderscheiden? Ik noem mezelf een ‘StandUpCoach’ waarbij het bijvoeglijk naamwoord ‘StandUp’ enerzijds verwijst naar de stijl - direct, dynamisch en confronterend – en anderzijds naar het beoogde resultaat; staan voor jezelf. Daarnaast staat een StandUpCoach voor de grootsheid van de coachée zodanig dat deze gaat staan voor zichzelf. In die hoedanigheid ben ik al meer dan 20 jaar professioneel actief en zijn me in de loop der jaren een aantal opmerkelijke paralellen opgevallen tussen humor en coaching. In deze paper ga ik op zoek naar het antwoord op die vraag of humor een extra hulpmiddel kan zijn om precaire persoonlijke thema's te adresseren met name als iemand nog niet expliciet heeft ingestemd om gecoacht te worden. Het uiteindelijke doel is om tot een praktische synthese tussen beide disciplines te komen, zodanig dat humor effectief ingezet kan worden als coachingsinstrument.

2. De wetenschap van het zelf

Zelfreflectie is een essentieel onderdeel van mentale coaching. Het woord ‘zelfreflectie’ impliceert dat het subject zichzelf tot onderwerp van onderzoek maakt, waardoor je, met enige fantasie, zelfreflectie ‘de wetenschap van het zelf’ zou kunnen noemen. Het uitermate subjectieve karakter van deze wetenschap is evident waardoor het predicaat ‘wetenschap’ op z’n minst ambigu is. Maar waar zijn mensen precies bang voor als het aankomt op het onderzoeken van zichzelf? Met enige ironie zou je kunnen stellen dat een mens het meest van alles toch uiteindelijk geïnteresseerd is in zichzelf? Wat staat er op het spel? Wat valt er te verliezen als het tegelijkertijd even aannemelijk is dat er bij zelfonderzoek zo veel te winnen valt. Een mogelijk antwoord op die vraag kan misschien gevonden worden in de reflecties op het menszijn die ontstonden ten tijde van de opkomst van de sociologie als één van de eerste humane wetenschappen aan het begin van de 19e eeuw.  Het was Auguste Comte[1] (1798 - 1857) die in zijn 'Philosophical Considerations on the Sciences and the Sienctists'[2] (1825) het denkbeeld van de hiërarchie van de wetenschappen poneerde. Voor Comte heeft de ontwikkeling van de wetenschap een bijzonder proces doorgemaakt. Comte onderscheidde in deze ontwikkeling een verband tussen een toenemende complexiteit met een omgekeerd evenredige afnemende generaliteit gebaseerd op het idee dat de wetenschap vertrokken is dat te bestuderen dat allereerst het verst van hem verwijderd was (wiskunde, astronomie, natuurkunde, chemie, biologie, sociologie) en gaandeweg steeds meer uitkwam bij dat wat hem het meest nabij was. Volgens prof. Dr. Walter Weijns van de Uantwerpen is de sociologie ontluisterend juist omdat heel deze heel dichtbij de mens komt. Sociologisch onderzoek legt op basis van wetenschappelijke data aspecten van het gedrag van het individu, als onderdeel van een specifieke sociologische groep, bloot. Daarbij staat het imago of reputatie van het subject op het spel, dat zowel op persoonlijk als op sociaal vlak grote implicaties kan hebben. Alhoewel volgens Comte de psychologie nooit haar wetenschappelijke pretentie waar zou kunnen maken, vanwege haar onoverkomelijke inherente subjectiviteit, is het niet moeilijk je voor te stellen dat de psychologie - en dan nog meer bepaald ‘de wetenschap van het zelf’ - nóg een stap dichter bij het subject komt.  Hieruit volgt dat de ‘wetenschap van het zelf’ in potentie de meest ontluisterende ‘wetenschap’ is die er bestaat met de grootste kans op reputatieschade. Het is een mogelijke verklaring waarom zelfreflectie sommige mensen angst inboezemt.

3. De angst voor iets en de vrees voor het niets

Angst is het evolutionaire antwoord op gevaar en vormt daarmee één van de belangrijkste drijfveren voor de meeste levende wezens. Het kost weinig moeite om met een antropomorfistische bril gelijkenissen tussen angstreacties van dieren en van mensen te zien. In het artikel ' 'Anthropologische benadering van de Angst'[3] stelt arts, fysioloog en wijsgerig antropoloog F.J.J. Buijtendijk (1887 - 1974) dat de menselijke angst zowel een dierlijk als een menselijk component bevat. Het dierlijk component van angst beperkt zich tot dat wat zich daadwerkelijk in de concrete realiteit aanwezig stelt. Het menselijke component van angst daarenboven richt zich op dat wat zich niet of nog niet aanwezig heeft gesteld. De mens beschikt over het bewustzijn dat een imaginaire realiteit in de plaats kan stellen van de actuele realiteit.Kierkegaard introduceerde in 'The Concept of Anxiety'[4] het ‘niets’ in het bewustzijn van de mens met door een distinctie te maken tussen angst voor iets en de vrees voor 'iets dat niets is'[5].  De angst richt zich op dat wat aanwezig is, vrees richt zich op dat wat niet aanwezig is. Het thema ‘angst’ vinden we als fundamentele menselijke existentie bijvoorbeeld ook terug in het werk van Heidegger en Sartre. De laatste spreekt in ''L'être et le néant' zelfs in termen ‘vernieten’ in relatie tot de onlosmakelijke veroordeling tot vrijheid van het subject. Het doel van StandUpCoaching is het doorbreken van een verlies aan kracht door de coachée overtuigingen te laten ontdekken die aan dit verlies aan kracht ten grondslag liggen. StandUpCoaching is niet instrumenteel gericht op het manipuleren van een omstandigheid of het aanleren van ander gedrag. Wie zich louter richt op het oplossen van een probleem zonder zich daarbij de vraag te stellen welk aandeel het subject zelf had in het tot stand komen van het probleem, onthoudt zichzelf een belangrijke les. Deze les komt er in algemene zin op neer dat het subject de relativiteit van zijn of haar overtuiging erkent. Wie op dat moment tegelijkertijd verantwoordelijk wil zijn voor het doorbreken van zijn verlies aan kracht, zal afscheid moeten nemen van die overtuiging. Aangezien een overtuiging pas kan overtuigen als het subject zich met de overtuiging geïdentificeerd heeft, verschijnt het relativeren van een overtuiging voor de persoon in kwestie vaak als het ‘vernieten’ van een bepaald deel van het zelfconcept. De angst voor het ‘vernieten’ van het zelfconcept staat daarmee gelijk aan de angst om als persoon geheel en al te verdwijnen, op te houden te bestaan, te sterven. Een niet te staven edoch voorstelbare hypothese die de angst voor ‘dat-wat-een-mens-niet-is’ een mogelijke verklaring biedt.

4. Het ideaal van de filosofie 

Eén van de idealen van de antieke filosofie was het vinden van een absolute en onveranderlijke waarheid. In de loop van de 17e eeuw kwam dat antieke project, mede op instigatie van de natuurwetenschappelijke doorbraken die in het kielzog van Newtons formulering van de basisprincipes van de klassieke mechanica ontstonden, meer en meer in het teken te staan van de ambitie om dergelijke fundamentele natuurwetenschappelijke uitgangspunten ook voor de (moraal) filosofie te formuleren. Het ideaal van een objectieve universele waarheid kan echter nooit gevonden worden in de subjectieve werkelijkheid van het subject. Daarmee werd de leefwereld en de beleving van het individu als onderzoeksobject niet als relevant beschouwd. Met de opkomst van de existentiefilosofie werd de harde scheidslijn tussen de objectieve en de subjectieve werkelijkheid van lieverlee steeds minder scherp. De existentiefilosofie stelde de subjectieve waarheid van het individu zelfs centraal. 

5. Zelfreflectie als methode, delen als praktijk

5.1. Operationele begrippen

Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat de opkomst van zelfreflectie o.a. samenvalt met de opkomst van de existentialistische filosofie en de psychologie als wetenschappelijke discipline in de loop van de 19e eeuw. Het uitganspunt van het waarheidsconcept verschuift van een eeuwig, onveranderlijk en objectief perspectief naar een persoonlijk, multidimensionaal en subjectief perspectief.  Het probleem is dat de begrippen die met de opkomst van de humane wetenschappen ontstaan, geen objectief wetenschappelijk statuut bezitten, waardoor de ambitie van menig verlichtingsfilosoof om tot een natuurwetenschappelijk onderbouwde moraalfilosofie te komen, op de helling komt te staan.  In 'Antropologische benadering van de Angst' argumenteert F.J.J. Buijtendijk dat dergelijke begrippen als zgn. 'operationele begrippen' toch zeer waardevol kunnen zijn omdat ook onjuiste (lees: niet wetenschappelijk onderbouwde) theorieën zeer vruchtbaar kunnen zijn[6]. Getuigenissen van zelfreflectie zijn per definitie veroordeeld zich uit te drukken in operationele begrippen en niet op objectieve geldigheid te staven. De werkelijke inhoud van de innerlijke wereld van het subject blijft voor een ander ontoegankelijk waardoor het subject perfect in staat is om zijn getuigenis precies aan te passen aan wat het subject denkt dat de ander – in dit geval de coach - wil horen. Je kunt daarom serieuze bedenkingen plaatsen bij de effectiviteit van een 1 op 1 coaching situatie, ervan uitgaande dat niet iedereen evengoed in staat of bereid is om zijn of haar eigen oneigenlijke overtuigingen te onderkennen, laat staan te ‘vernieten’. In een 1 op 1 setting is het uiteindelijk de coachée die bepaalt wat er wel of niet ter sprake komt en wordt daarmee de slager wordt die zijn eigen vlees keurt. Een mogelijke oplossing voor deze patstelling kan gevonden worden met de introductie van één of meerdere derdepersoonsperspectieven in de vorm van bijvoorbeeld een groep of extra observator(en). Deze mogelijkheid zal ik de volgende paragraaf verder toelichten

5.2. Een groep

De sociale psychologie richt zich op het gedrag van het subject onder invloed van de reële of imaginaire aanwezigheid van een groep.  De louter de passieve aanwezigheid van een controle, of peergroep werkt in een coaching situatie als een dergelijke invloed die een rol kan spelen in het bewaken van de authenticiteit van de zelfrapportage van een coachée. Als iedere deelnemer van die groep tegelijkertijd ook een potentiële coachée is, ontstaat er daarenboveneen pluraliteit aan eerste-persoonsperspectieven die het objectiviteitsgehalte van het proces verhoogt.  J.F.F. Buijtendijk stelt het als volgt voor:

'...Zoals elk onderzoek naar iets menselijks dienen wij hierbij uit te gaan van de ervaringen in onze alledaagse leefwereld. Daar ontmoeten wij bij onszelf en onze medemensen een verschijnsel dat angst genoemd wordt. Wij kennen dit intuïtief, zoals het zich voorlopig toont in het eigen bestaan en wij merken het op in zoverre wij in staat zijn aan het bestaan van anderen deel te nemen[7]

We zijn dus pas werkelijk in staat de beweegredenen van ons gedrag te doorgronden op het moment dat we deze kunnen toetsten aan de beweegredenen van anderen. Het is evident dat met het deelgenoot zijn aan het bestaan van anderen, ieders individuele zichtbaarheid toeneemt, wat de kans op ontluistering verkleint omdat in de pluraliteit van de verschillende getuigenissen onomstotelijk duidelijk wordt dat de angst voor het 'vernieten' van het zelfconcept een universele antropologische constante is. Het besef dat iemand in zijn immer ontoereikende menselijkheid geen uitzondering is, is uiterst geruststellend.

6. Zelfdeceptie, het onderzoeksdomein van mentale coaching

            6.1. Wat is coaching?

Er zijn vele vormen van coaching. Het doel van StandUpCoaching is om het ongewenste gedrag of suboptimale situatie te veranderen door het in vraagstellen van onderliggende overtuigingen. Het resultaat van mentale coaching is niet per se gericht op de realisatie van het gewenste gedrag of omstandigheid maar op het scheppen van een nieuw perspectief op het ongewenste gedrag of omstandigheid. Een StandUpCoaching-interventie is erop gericht de coachée bewust te maken van het betrekkelijke waarheidsgehalte van zijn of haar rationele structuur. Het moment dat de coachée de relativiteit van voor absoluut gehouden overtuigingen kan erkennen, beseft de coachée dat hij of zij zichzelf heeft voorgelogen. Liegen moet hier niet opgevat worden in de engere betekenis van het woord als het opzettelijk, willens en wetens verdraaien of verzwijgen van de waarheid. Het soort van liegen waar ik hier over spreek, behelst het pretenderen de waarheid te kennen. Men is dus oprecht overtuigd van het eigen gelijk. Dientengevolge is het domein van mentale coaching het blootleggen en het laten erkennen van aard en structuur van zelfdeceptie.

6.2. Wat is zelfdeceptie?

Minimally, self-deception involves a person who seem to acquire and maintain some false belief in the teeth of evidence to the contrary as a consequence of some motivation and who may display behavior suggestion some awareness of the truth.[8]

Zelfdeceptie is een vorm van liegen. In de engere zin van het woord is iemand die liegt zich ervan bewust dat hij of zij liegt én dat hij of zij liegt tegen de ander dat hij of zij niet liegt. Zelfdeceptie is daarentegen het liegen tegen jezelf, waar je al dan niet bewust bent dat je liegt. In dat laatste geval lieg je daarboven tegen jezelf dat je niet liegt. Het dubbele liegen tegen jezelf leidt onherroepelijk tot een eigenaardige vorm van intersubjectiviteit binnen het subject zelf. Ian Deweese-Boyd, filosofie professor aan de universiteit van South Carolina, spreekt in zijn artikel ‘Self-Deception’ dat er, als gevolg van deze intersubjectiviteit, twee verschillende paradoxen ontstaan. Een zgn. statische paradox en een dynamische paradox[9]. De statische paradox refereert aan de gemoedstoestand van het rechtvaardigen van twee tegenstrijdige overtuigingen. De dynamische paradox verwijst naar het ineffectieve deliberatieproces die tot de tegenstrijdige overtuigingen heeft geleid. Deweese-Boyd onderscheidt vervolgens een intentionalist en een revisionist[10]. Beiden zijn zich ervan bewust dat ze liegen, het verschil zit in de manier waarop ze zich verhouden tot de twee bovengenoemde paradoxen. Een intentionalist houdt dogmatisch vast aan zowel de leugen als aan de intentie die ten grondslag ligt aan de leugen. Een revisionist is bereid, al naar gelang de situatie, de intentie of de leugen te herzien. Een revisionist herziet zijn intentie of leugen echter niet op basis van een authentiek overwogen tegenargument maar om geen gezichtsverlies te lijden. De werkelijke intentie van zowel de intentionalist als de revisionist is het in standhouden van een op zelfdeceptie gebaseerd imago en het niet verantwoordelijk willen zijn voor de gevolgen die voortkomen uit het opgeven van de zelfdeceptie.

6.3. Wat is de functie van zelfdeceptie?

Als we ervan uitgaan dat een mens niets doet zonder daar een eigen voordeel in te zien, dringt de vraag zich op wat de voordelen zijn van zelfdeceptie. Sta mij toe een mogelijk scenario te schetsen. Het leven van een mens kenmerkt zich door onzekerheden en het fundamentele besef van de eigen feilbaarheid. Dit besef heeft o.a. een grote invloed op het maken van keuzes. Het overgrote deel van onze dagelijkse keuzes geschiedt op basis van eerder gemaakte afwegingen, waardoor dit kaliber van keuzes zich in de regel niet onze bewuste aandacht vereist. Het zijn met name nieuwe issues die als een existentiële bedreiging kunnen verschijnen en dien ten gevolge voor grote onrust zorgen. Het overwinnen van dergelijke existentiële bedreigingen dwingt het subject tot het maken van een keuze waarbij het niet kan terugvallen op de 'jurisprudentie' van eerder gemaakte keuzes. Een nieuw dilemma vraagt om bewuste inspanning die nieuwe kennis, tijd, energie, rust en concentratie vraagt. Het opbrengen van een dergelijke cocktail van hulpbronnen is geen eenvoudige opgave. Je kunt natuurlijk een aantal van die hulpbronnen ‘outsourcen’ door te raden te gaan bij vrienden, familie, experts of het internet. Maar dan nog is het maken van de juiste keuze in een dergelijk dilemma geen sinecure. Een andere optie is het compleet vermijden van deze inspanning door je heil te zoeken in een gemakkelijk antwoord. Buijtendijk heeft ons al laten zien dat een theorie niet per se hoeft te kloppen om toch vruchtbaar te zijn. De belangrijkste onmiddellijk vrucht van een gemakkelijk antwoord is dat het je ontslaat van de last van bewust nadenken. Daarnaast biedt het je een bepaalde mate van hoop die meestal niet meteen gevonden kan worden in de realiteit op basis van goed onderbouwde argumenten. Een laatste onderscheid dat van belang is, is het verschil tussen 'wishful thinking' en 'zelfdeceptie'. Wishful thinking erkent tegenargumenten maar ziet het verstand gekaapt door verlangen, terwijl zelfdeceptie een gewillige participant is in het opzettelijk sturen van zijn verstand en zich geen boodschap heeft aan plausibele tegenargumenten.[11] 

6.4. De impact van zelfdeceptie

Een aanhoudende vorm van zelfdeceptie in een vitaal levensdomein toont zich meestal in eerste instantie in fysieke klachten zoals stress, slapeloosheid of een gebrek aan plezier en zelfexpressie. Zelfdeceptie creëert een gespletenheid in het zelfconcept van het subject, waardoor het subject zich van zichzelf vervreemdt. Een dergelijke vervreemding heeft een impact op het gevoel van eigenwaarde dat zich vaak concreet vertaalt in een verlies aan kracht in relaties, carrière of vitaliteit. Aangezien het leven een aanéénschakeling is van dilemma’s en een mens niet in staat is zichzelf 100% te wapenen tegen zelfdeceptie, ontkomt geen weldenkend mens eraan om vroeg of laat zijn of haar overtuigingen op geldigheid te onderzoeken.

6.5. Wat is het probleem van zelfdeceptie?

Uit wat we tot nu toe gezien hebben, mag je ervan uitgaan dat zelfdeceptie een onontkoombaar onderdeel is van de essentiële structuur van de mens. Daaruit volgt dat het probleem van zelfdeceptie niet het voorkomen van zelfdeceptie is, maar eerder de vraag hoe je de impact van zelfdeceptie tot een minimum kan beperken. De vraag die zich dan stelt richt zich niet op het elimineren van zelfdeceptie maar op het vinden van methoden om sneller in te grijpen op zelfdeceptie. Je kunt echter pas ingrijpen als je zelfdeceptie ook als zelfdeceptie hebt erkend. Het probleem dat zich daarbij stelt is de vraag hoe het subject zeker kan weten dat het zichzelf al dan niet voorliegt. Zelfdeceptie is echter in vele gevallen pas zelfdeceptie als het voor het subject niet als zelfdeceptie verschijnt. Wie zegt je dat hij zichzelf niet voorliegt dat hij zichzelf niet voorliegt terwijl hij zichzelf voorliegt? Door het aanhoudend herhalen van een leugen, kan een leugen uiteindelijk oprecht voor de waar worden gehouden. Wie zichzelf voorliegt zonder zich bewust te zijn dat hij of zij zichzelf voorliegt, kan de zelfdeceptie niet erkennen, laat staan onderscheppen.

6.6. Wat kan je doen?

In het dagelijks leven gaan we er als vanzelf vanuit dat een mens in staat is om te kunnen doen en dus over een vrije wil beschikt. Tegelijkertijd kan ieder mens in zijn eigen handelen voorbeelden vinden dat er een verschil is tussen weten wat je moet doen en daadwerkelijk doen van wat je weet dat je moet doen. Als iemand erkent dat hij of zij een probleem heeft, betekent dat nog niet dat hij bereid is om het probleem op te lossen. Als iemand bereid is het probleem op te lossen, dan betekent dat nog niet dat hij weet wat de juiste oplossing is. Als iemand weet wat de juiste oplossing is, dan betekent dat nog niet dat hij bereid is deze oplossing ook aan te gaan. Intuïtief weet iedereen dat het opheffen van een geval van zelfdeceptie niet zonder gezichtsverlies, intentioneel nadenken en onverwachte gevolgen zal zijn. Zoals ik reeds beargumenteerde, is de belangrijkste reden voor zelfdeceptie juist gelegen in het vermijden van een dergelijke inspanning. Een eenvoudige kosten-baten analyse lijkt te suggereren dat de inspanning van de oplossing als pijnlijker verschijnt dan de impact van de zelfdeceptie. Maar wat nou als het subject zichzelf in deze analyse wederom voor de gek houdt? Een verdubbeling van zelfdeceptie lijkt de kans op ontluistering alleen maar te vergroten. We moeten op zoek naar een manier om deze potentiële ontluistering tegemoet te kunnen waarbij het gezichtsverlies zoveel mogelijk wordt beperkt.  In wat volgt zullen we onderzoeken of humor daarvoor een geschikte kandidaat is. 

7. Wat is humor?

7.1. Etymologische afstamming[12]

Humor betekent in het latijn 'vocht' of 'lichaamssap'. In de middeleeuwen geloofde men dat bij een gezond persoon de vier lichaamssappen bloed, gele gal, zwarte gal en slijm - ofwel de humores - met elkaar in balans waren. Halverwege de 17e eeuw is het woord humeur uit het Frans in het Nederlands gekomen. Pas toen toneelschrijver Ben Jonson (1572-1637) in zijn toneelstuk 'Every man in his humour' uit 1598 de draak stak met de 'humeuren' van zijn hoofdpersonen, kreeg humor de connotatie zoals we die vandaag kennen.

            7.2. Filosofische onderbouwingen

In de filosofie staan drie hoofdtheorieën over humor centraal; de 'superioriteitstheorie', de 'ontladingstheorie' en de 'incongruentietheorie'. De filosofische reflectie van Plato over humor, die emoties in het algemeen als een gevaar voor het aantasten van de rationaliteit ziet[13], staat aanvankelijk niet erg positief ten opzichte van humor. In de Retorica typeert Aristoteles humor o.a. als een gesofisticeerde vorm van vrijpostigheid maar ziet wel dat humor een retorische waarde kan hebben. Aristoteles is één van de eerste filosofen die de essentie van een grap definieert in termen van het spelen met de ongerijmdheid van twee tegengestelde betekenissen.  Thomas Hobbes zet de gedachtegang van Plato door en ziet humor als een bedenkelijke expressie van superioriteit ten koste van een ander. Op basis van nieuwe inzichten in de biologie en psychologie werken Spencer (1820 - 1903) en Freud (1856 - 1939) in de loop van de 19e eeuw de zgn. 'ontladingstheorie' uit. Humor zou, volgens Spencer, het gevolg zijn van de ontlading van de fysieke spanning die door 'animal spirits' veroorzaakt wordt, die zich in de zenuwbanen van de mens zouden bevinden. Freud ontwikkelde een vergelijkbare theorie op basis van de ontlading van psychische spanning als gevolg van het vrijkomen van overbodige psychische energie die, in anticipatie op het oplossen van een rationele ongerijmdheid, door de clou van de grap teniet wordt gedaan. Kants formuleert de essentie van humor als 'de transformatie van een verwachting in niets[14]'. De eerste filosoof die het woord ‘incongruentie’ in verband brengt met het thema humor is James Beattie (1779). Schopenhauer onderscheidt een incongruentie tussen de zintuigelijke gewaarwording en het abstract rationele concept en stelt dat:

The essence of the ludicrous lies in the incongruity between concepts, the vehicles of abstract thought and concrete objects, apprehended in perception[15]

Raskin maakt in 'Semantic Mechanisms of Humor'[16] een linguïstisch analyse van verbale humor waarbij hij spreekt over 'scripts' als zijnde een verzameling van mogelijke betekenissen van een begrip of zin. Humor is volgens Raskin het product van een speciale relatie tussen twee ogenschijnlijk onverenigbare 'scripts'. Het zijn intuïties als deze die leiden tot de incongruentietheorie die tot op de dag van vandaag nog steeds als meest relevante omschrijving van de werking van humor te boek staat. De incongruentietheorie laat zien dat humor veel meer is dan een oppervlakkige expressie van superioriteit of leedvermaak zoals Plato en Hobbes dat zagen of het product is van een fysieke of psychische ontlading zoals Spencer en Freud zich dat voorstelde. De incongruentietheorie leert ons dat humor de potentie heeft om een nieuw niveau van begrip te instantiëren en gekende denkpatronen in vraag te stellen. Daarin vinden we de eerste sporen van een analogie met de agenda van mentale coaching. Het primaire doel van humor is echter het oogsten van een lach en doet dat op basis van het tonen van een absurde overeenkomst tussen twee ogenschijnlijk verschillende betekeniswerelden. Het is met name dit aspect van humor dat overeenstemt met de essentie van de methode van mentale coaching. De manier waarop een dergelijke contextverschuiving wordt ervaren, is echter van een heel andere aard dan die van mentale coaching.

8. Overeenkomsten en verschillen tussen humor en coaching

8.1. Falen

De belangrijkste overeenkomst tussen humor en coaching is m.i. dat beide het falen van de mens thematiseren. Humor steekt de draak met falen, coaching problematiseert het falen. Beide disciplines tonen een dubbel falen; het falen an sich en het falen in het verbergen van dát falen. In de filosofische reflectie van Hobbes hoont de zich superieur achtende winnaar het verlies van zijn verslagen opponent, niet omdat hij zich sterker waant, maar misschien wel omdat hij zich ten diepste bewust is dat hij net zo goed de verliezer had kunnen zijn. In vergelijking wordt ook de coachée zich pijnlijk bewust van zijn ‘verlies’ en op het moment dat hij moet toegeven zichzelf te hebben voorgelogen.

8.2. Communicatie

We hebben in het voorafgaande al opgemerkt dat mentale coaching en verbale humor beide linguïstisch gesitueerd zijn waardoor een onderzoek naar de draagwijdte van hun overeenkomsten en verschillen een semantische reflectie toelaat. Zo classificeert Raskin het vertellen van een grap als non-bonafide vorm van communicatie[17] zoals geformuleerd door Austin (1962) en Searle in 'Speech Acts'[18] (1969). De intentie van bonafide communicatie is wat het pretendeert te zijn. De intentie van non-bonafide communicatie is ambigu en niet wat het pretendeert te zijn. Searl onderscheidt drie vormen van non- bonafide communicatie t.w. liegen, acteren en humor. Om een grap te laten werken dient er een minimale mate van een gedeelde ervaring en waarden en normen tussen de spreker en de toehoorder te zijn. Vanuit die gedeelde achtergrond wordt de toehoorder geacht in staat te zijn om het verschil tussen bonafide en non-bonafide communicatie aan te voelen.

8.3. Aporia

Als deze gedeelde achtergrond ontbreekt, is het vaak lastig om dit verschil te detecteren. De toehoorder blijft verward op zoek naar de juiste intentie van de spreker en de kans dat de grap als grap overkomt lijkt nihil. Het gaat er bij het maken van een grap juist om de perfecte balans te vinden tussen de schijn van bonafide communicatie en de grenzen van non-bonafide communicatie. Het moment van verwarring en de daaropvolgende oplossing komt in de reflectie van Kant over de werking van humor naar voren. Verwarring lijkt in eerste instant niet positief en toch is het gebruik van verwarring reeds sinds de oude Grieken als retorisch instrument onder de noemer 'Aporia'[19] bekend. In een staat van 'Aporia' – dat etymologisch afstamt van ‘a-poros’ dat ‘onbegaanbaar’ of ‘ondoorwaadbaar’ betekent[20] - faalt de rationaliteit en dat wat we dachten zeker te weten maakt plaats voor verwarring, verbazing en idealiter nieuwsgierigheid. Verwarring kan als een belangrijke voorwaarde gezien worden om tot een nieuw inzicht te komen. Verwarring creëert een mentale disruptie in het automatisch denkproces van het subject waardoor deze gedwongen wordt op een andere manier tegen een bepaald onderwerp aan te kijken.

8.4. Een nieuwe mogelijke betekeniswereld

De term betekeniswereld refereert naar het totaal van alle concepten, overtuigingen en denkbeelden waarbinnen het leven van het subject zich afspeelt.  De betekeniswereld heeft een grote invloed op het perspectief dat het subject op zichzelf, zijn leefwereld en zijn toekomst heeft. Het doel van mentale coaching het scheppen van ander perspectief op de toekomst vanuit de creatie van een nieuwe betekeniswereld. Louter door het verschuiven van dit perspectief zal de wereld als zodanig anders aan het subject verschijnen nog voordat zich een concrete verandering in zijn of haar wereld heeft gemanifesteerd. Het verschuiven van het perspectief is de grootste verandering en typeert het belangrijkste verschil tussen ‘veranderen’ en ‘transformatie’ Zowel humor als coaching hebben een cognitief als een emotief component. In het cognitieve component lijken er significante overeenkomsten te bestaan. Zowel humor als coaching kunnen een expliciete leerervaring teweegbrengen. Een goed gevoel voor humor heeft een verbinding met een bepaalde mate van intelligentie. Het grote verschil tussen humor en coaching zit hem vooral in het emotieve component. Humor veroorzaakt een plezier, coaching veroorzaakt ontluistering. Zowel humor als coaching presenteren een alternatieve interpretatie van een bepaalde context. Humor presenteert een verrassende interpretatie, coaching presenteert een reële interpretatie. Humor ridiculiseert en coaching problematiseert.

8.5. (non) Identificatie

Eén van de meest veelbelovende verschillen tussen van humor en mentale coaching is de manier waarop ze met het fenomeen van identificatie omgaan. Identificatie kan begrepen worden als ‘jezelf gelijkstellen aan’, ‘jezelf vereenzelvigen met’ of datgene ‘persoonlijk maken’ waarmee je geïdentificeerd bent. Humor presenteert persoonlijke thema’s in de eerste en de laatste plaats op een onpersoonlijke manier (non-identificatie). Mentale coaching presenteert persoonlijke thema’s in de eerste plaats op een persoonlijke manier (identificatie) en pas in de tweede plaats - door het presenteren van een nieuwe context – op een onpersoonlijke manier (non-identificatie). Identificatie fixeert en beperkt, non-identificatie bevrijdt en opent nieuwe mogelijkheden. Humor zet aan tot lachen, coaching zet aan tot inkeer. Humor maakt thema’s licht, coaching maakt thema’s significant. Humor verzoent het menselijk falen in zijn algemeenheid, coaching confronteert het persoonlijk falen in zijn particulariteit. Coaching doet een appél op morele verantwoordelijkheid, humor laat het subject vrij zelf te bepalen in hoeverre hij of zij zich moreel verantwoordelijk voor wil maken. Humor promoot acceptatie, coaching promoot 'actie-tatie'.

9. Conclusie

In mijn onderzoek naar het antwoord de onderzoeksvraag of humor een instrument kan zijn om mensen te helpen hun schroom te overwinnen voor zelfreflectie in het kader van mentale coaching, ben ik tot de volgende conclusie gekomen. Ja, humor kan een middel zijn om mensen te helpen de eerste stap te zetten naar een intentioneel en op zelfreflectie gebaseerd zelfonderzoek. In mijn onderzoek heb ik m.i. aannemelijk gemaakt dat er tussen humor en coaching duidelijke overeenkomsten bestaan op het gebied van werking en het thematiseren van de faalbaarheid van de mens. Zo hebben we gezien dat de semantische structuur tussen verbale humor en mentale coaching op hoofdpunten gelijkvormig is en dat het 'bijproduct' van humor – het tonen van een nieuwe betekeniswereld - overeenkomt met het 'hoofdproduct' van mentale coaching: het doorbreken van zelfdeceptie. Vanuit die overeenkomsten zijn we nu vooral geïnteresseerd in de vraag of de verschillen een antwoord kunnen geven op de onderzoeksvraag. Zowel humor als coaching bevatten een cognitief en emotief component en met name in het laatste genoemde aspect schuilt een belangrijk inzicht. Het emotieve aspect van coaching verschilt fundamenteel met dat van humor. Daar waar coaching confronteert, ontluistert en problematiseert daar bedient humor zich van het tegendeel. Humor verzoent, laat iemand in zijn waarde en relativeert. Het emotieve element van humor is lachen, hilariteit en vrolijkheid, emoties die we als positief ervaren. Coaching veroorzaakt verontrustende innerlijke tegenstrijdigheden die emoties oproepen die we als negatief ervaren. In coaching gaan we met een bepaalde schuld, spijt of schaamte ‘onze eigen ondergang’ tegemoet. Met humor gaan we lachend ‘onze eigen ondergang’ tegemoet. Coaching boezemt angst voor gezichtsverlies in, humor bevrijdt en verbreekt de ketens van identificatie. Met humor kan je je met anderen verbinden in het omarmen van dat verlies, met coaching wordt je op jezelf teruggeworpen in je verlies.  Als we al deze punten in ogenschouw nemen dan kan het niet anders zijn dat humor een belangrijke nieuw tool kan zijn in het bereiken van bovengenoemd doel; de eerste schroom wegnemen voor zelfreflectie. De draagwijdte van humor t.a.v. het veroorzaken van een blijvende transformatie van het bewustzijn – zover dat überhaupt al mogelijk is - is echter te beperkt. Voor het bereiken van dat doel is het noodzakelijk dat de coachée zijn of haar thema in eerste aanleg juist uiterst persoonlijk opvat en zich als door het geweten geroepen zichzelf verplicht voelt om verantwoordelijk te willen zijn concrete stappen te zetten op weg naar een andere realiteit. Humor kan als punt fungeren voor wie mental coaching an sich als een botte spijker verschijnt.


 Bibliografie

Bourdeau, Michel. “Auguste Comte”. In The Stanford Encyclopedia of Philosophy, onder redactie van Edward N. Zalta, Summer 2018. Metaphysics Research Lab, Stanford University, 2018. https://plato.stanford.edu/archives/sum2018/entries/comte/.

Buijtendijk, F.J.J. “Anthropologische Benadering van de Angst”. Tijdschrift voor Filosofie 31e jaargang, nr. no.4 (december 1969): 622–37.

Bollnow, Otto Friedrich. Neue Geborgenheit: das Problem einer Überwindung des Existenzialismus. 3., überarb. Aufl. Stuttgart: Kohlhammer, 1972.

Levinson, Jerrold. “Humour”. In Routledge Encyclopedia of Philosophy, z.d.

Gardiner, Patrick. “Psychological themes and in”. In Biographical Kierkegaard, Søren Aabye (1813–55). Routledge Encyclopedia of Philosophy. Geraadpleegd 1 april 2020. https://www.rep.routledge.com/articles/biographical/kierkegaard-s-ren-aabye- 1813-55/v-1/sections/psychological-themes-and-in.

Sijs, Nicolien van der. “Humor - Etymologiebank”. Woordenboek. Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam (blog), 1998. http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/humor.

Raskin, Victor. Semantic Mechanisms of Humor. Vol. 5, 1985. https://doi.org/10.3765/bls.v5i0.2164.

Morreall, John. “Philosophy of Humor”. In The Stanford Encyclopedia of Philosophy, onder redactie van Edward N. Zalta. Winter 2016 Edition. Metaphysics Research Lab, Stanford University, 2 maart 2020. https://plato.stanford.edu/archives/win2016/entries/humor/

Deweese-Boyd, Ian. “Self-Deception”. In The Stanford Encyclopedia of Philosophy, onder redactie van Edward N. Zalta, 2017. https://plato.stanford.edu/archives/fall2017/entries/self-deception/.

Comte, Auguste. “Considérations philosophiques sur la science et les savants”. Le Producteur n° 7, 8 et 10; reprinted in 1851 (1825).

Kierkegaard, Søren. ’The Concept of Anxiety (Begrebet Angest). Vertaald door Reidar Thomte. Princeton University Press, 1844.

Merriam-Webster. “Aporia.” Accessed April 13, 2020. https://www.merriam-webster.com/dictionary/aporia.

[1] Bourdeau, ‘Auguste Comte’.

[2] Comte, ‘Considérations philosophiques sur la science et les savants’.

[3] Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, 11.

[4] Kierkegaard, ’The Concept of Anxiety (Begrebet Angest).

[5] Gardiner, ‘Psychological themes and in’, 1.

[6] Buijtendijk, ‘Anthropologische Benadering van de Angst’, 624.

[7] Buijtendijk, 625.

[8] Deweese-Boyd, ‘Self-Deception’, 1.

[9] Deweese-Boyd, 1.

[10] Deweese-Boyd, 2.

[11] Deweese-Boyd, 5.

[12] van der Sijs, ‘Humor - Etymologiebank’.

[13] Morreall, ‘Philosophy of Humor’, 1–2.

[14] Levinson, ‘Humour’, 2. Chapter 2

[15] Levinson 'Humour' , 2. Chapter 2

[16] Raskin, Semantic Mechanisms of Humor, 10.

[17] Raskin, 100.

[18] Searle, Speech Acts.

[19] Tillmanns, 1.

[20] Merriam-Webster, ‘Aporia’.

Blijf op de hoogte van mijn Webinars,
Trainingen en Special Events

Schrijf je in op onze mailinglijst en je hoort als eerste als ik nieuwe video's en andere content release. Profiteer van 'early bird' aanbiedingen en wees een van de eerste die alle updates te horen krijgt.

Subscribe
Close

50% Complete

Halverwege...

Vul je naam en beste emailadres We gaan je niet spammen en je kunt je ten allen tijden weer gemakkelijk uitschrijven. Beloofd!